Het is tijd om te schrijven. Je scherm toont het nu nog lege Word-document. Maar straks is al die leegte opgevuld met de woorden die uit jouw vingers vloeien. Je leidinggevende heeft je verteld waarover je moet schrijven. De organisatie heeft de kaders bepaald. Je start met tikken: voor wie ga je nu aan de slag?

Voordat ik die vraag beantwoord (en het is zeer waarschijnlijk dat je het antwoord al weet), een kleine schets.

Kantoor: de dorpsstaat

(Zeker) Grote bedrijven zijn bastions op zichzelf. Met afdelingen en managers, met directeuren en labels, met corporate en interne communicatie. Het zijn bijna kleine landen, met eigen regel- en wetgeving waar alle (tijdelijke) inwoners zich aan dienen te houden.

Vaak zijn deze grote bedrijven gevestigd in opvallend onaantrekkelijke betonnen blokken. Binnenkomen doe je met een pasje, waarmee je elke dag bij het poortje weer moet bewijzen dat je er wel thuishoort. Je poortpas lijkt veel op je paspoort wat dat betreft.

Binnen is er veel te doen

Eenmaal binnen moet je je staande zien te houden tussen de strebers en de luilakken, moet je bila’s en beoordelingsgesprekken zien te overleven. Als contentmaker zou je eigenlijk met het maken van content bezig moeten zijn. Maar de kans is groot dat je opvallend vaak met hele andere zaken bezig bent. Vergaderen, heidagen, diezelfde bila’s en veel politieke momenten waar je bij aan moet sluiten, zodat eenieder plasjes kan doen over jouw werk of dat van een ander.

Buiten is belangrijker

Als contentmaker heb jij als geen ander te maken met de wereld buiten de poort. Met de wereld van de klant. Jij moet die klant zien te verleiden tot het kopen van een product of service. Of informeren of …..wat de opdracht ook is: jij praat direct met die (potentiële) klant.

Even terug naar dat lege Word-document. Vanuit de organisatie weet je wat er van je gevraagd wordt. Je weet ook wat de eventuele consequenties zijn als je die vraag negeert: je krijgt op je flikker.

In veel gevallen weet je ook dat de klant iets anders vraagt. Een andere behoefte heeft dan de organisatie. Maar ja, als je die klant niet bedient, dan komt hij niet langs om je tijdens een wekelijkse bila een veeg uit de pan te geven.

Dus voor wie schrijf je?

Natuurlijk: het niet goed bedienen van die klant, levert de organisatie ook niet het juiste resultaat op. Maar waar dat dan aan ligt, is niet zo gemakkelijk aan te tonen. De kans dat je daarvoor op je flikker krijgt, is minimaal.

Je weet het best

Je zit te staren naar dat lege Word-document en weet als contentmaker – beter dan wie dan ook – dat klant en bedrijf tegengestelde behoeften hebben. En toch – ondanks dat risico op een interne tik op de vingers – is het de klant waar je voor moet schrijven. De klant waar jij je voor moet inzetten. En dat blijkt in de praktijk nog best lastig.

Want hoe hard bedrijven ook roepen dat zij klantgericht (willen) denken, in de praktijk valt dat niet mee. Eenmaal door de toegangspoortjes, is de boze buitenwereld onzichtbaar. En zijn klanten een theoretische waarheid geworden.

Jij als contentmaker praat met die klant, via jouw teksten. Het is nu juist jouw schone taak om de opdracht van de organisatie samen te brengen met én te vertalen naar de behoefte van klanten. En als de organisatie dat anders ziet is het jouw taak om zij die binnen de grenzen van de toegangspoortjes leven, eraan te herinneren voor wie je het ook alweer deed: die klanten.

Cojones

Het bedienen van de interne organisatie is veilig en gemakkelijk, maar niet effectief. Op de barricades voor je klant (doelgroep), vraagt meer dan alleen het vullen van een leeg Word-document. Het vraagt ballen. Vergeet ze niet tevoorschijn te halen, wanneer het nodig is. Dat levert uiteindelijk het beste resultaat op.


6.448 keer gelezen Geschreven door
0 comments